Broeders en zusters, hoeveel vertrouwen hebben we eigenlijk nodig? Hoeveel moet God ons nog laten zien voordat wij durven geloven dat het goed kan komen? Hoeveel brood moet er worden gebroken? Hoe vaak moet Christus ons tegemoetkomen over het water? Vragen, vragen, vragen. Vragen waarop we het antwoord allang kennen. Maar die we liever van ons afschuiven. Naar de ander Naar de politiek. Naar Europa. Naar de samenleving. Dat is makkelijk: ik hoef zelf niet meer te antwoorden. Dus laten we vanmorgen die uitweg maar meteen afsluiten. Ik begin bij mezelf, want ik sta hier niet boven. Ook mijn morele kompas hapert. Wat is er mis om te zeggen: ik weet het niet? Prima maar dan kunnen we nog niet achterover leunen en zeggen: het is mijn pakkie-an niet.
Laten we al die vragen eens op een hoop gooien en er een centrale vraag van maken dat houdt het behapbaar. Hoeveel hebben wij nog nodig voordat vertrouwen niet alleen iets is waarover we spreken, maar iets wat in ons komt wonen?
We ontmoeten vandaag Elia. Elia, de grote profeet. Maar vandaag even niet. Vandaag is hij niet de held. Hij is bang en vlucht. Izebel staat hem naar het leven en Elia maakt dat hij wegkomt. De woestijn in. Uiteindelijk komt hij terecht bij een grot. En probeer hem daar eens te zien. Niet meteen als die grote Bijbelse figuur. Kijk gewoon eens naar die mens. Een man die gevlucht is.
Die achterom kijkt. Die niet weet wat morgen brengt. Die misschien niet eens meer weet waar hij thuishoort. Een vluchteling. Een migrant. En daar gebeurt iets. Want zodra ik het woord migrant gebruik, dreigt Elia te verdwijnen. Dan wordt een mens een categorie. Een dossier.
Maar God kent geen categorie. God ziet Elia. Hij heeft een naam. En niet zomaar een: het betekent: de Heer is mijn God. Elia lijkt dat zelf even te hebben vergeten, maar dat geeft niet: hij is ook maar een mens. God is er zoals Hij overal is. Maar niet in de vorm zoals wij mensen dat misschien graag zien omdat God indrukwekkend zou moeten zijn. Niet in de storm. Niet in de aardbeving. Maar in dat vreemde, zachte suizen van de stilte. Alsof God zegt: Elia, je kent me toch. Ik weet wie je bent. Jouw naam staat geschreven in mijn handpalm.
En wat zegt Jezus? Het is bijna onbegrijpelijk wat daar gebeurt. Want vlak hiervoor hebben duizenden mensen gegeten. Uit bijna niets. Een beetje brood. Een paar vissen. En iedereen wordt verzadigd. Iedereen. En er blijft nog over ook. Dat is misschien wel een van de moeilijkste gedachten uit het evangelie. Dat God begint bij overvloed, terwijl wij zo gemakkelijk beginnen bij tekort. Wij kijken en zeggen: Er is niet genoeg. Of zegt een stemmetje in ons hoofd: ik heb niet genoeg! God zegt: Breek het brood maar. Deel het maar. En kijk dan nog eens. De leerlingen hebben het gezien. Sterker nog: ze hebben eraan meegedaan. Ze hebben dat brood in hun handen gehad. Ze hebben het uitgedeeld. Ze hebben de resten verzameld. Twaalf manden vol. En een paar uur later zitten ze in een boot. Een beetje tegenwind. Wat golfslag. En de angst slaat toe. Dan moet je toch wel denken Kom op, mensen! Hebben we dan helemaal niets geleerd? We hebben het toch gezien? Maar voordat ik die zin afmaak, moet ik oppassen.
We hebben zoveel ontvangen. Wij leven in een rijk land. We hebben huizen, wegen, scholen, ziekenhuizen. We hebben sociale voorzieningen. Nee, niet alles is goed verdeeld. Ja, er zijn mensen die werkelijk tekortkomen. Als Nederlandse samenleving hebben we nog behoorlijk wat vet op de botten. En toch... zodra de tegenwind opsteekt, worden we bang. Er komen vluchtelingen. Er komen mensen naar Europa. En dan is er geen plek in de herberg.
Dan worden we toch allemaal een beetje als Petrus, stoer, dan twijfel, weg vertrouwen en we zakken in het water Jezus redt me Dat is het meest menselijke moment van het hele verhaal. Want Petrus verliest zijn geloof niet doordat Jezus verdwenen is. Petrus zinkt omdat de wind ineens groter wordt dan zijn vertrouwen. En hoe vaak gebeurt dat niet met ons? Met mij? En dan komen we bij het antwoord op de vraag: hoeveel vertrouwen hebben we zelf nodig?
Het evangelie ons niet toestaat een mens tot categorie te reduceren. Een mens is geen verkiezingsstrategie. Een vluchteling is geen schaakstuk. En dus moeten we weer namen leren noemen. Elia. Petrus. Mohammed, die vluchtte, naar Ceuta trok omdat hij ergens gehoord had dat daarachter een beter leven lag. Het paradijs met engelen.
Hoe je het wendt of keert het is de ongemakkelijke boodschap van het evangelie. Wij hoeven niet te wachten tot de wereld verandert. Wij hoeven niet te wachten op Den Haag, Brussel of op betere tijden. Jezus vraagt niet aan Petrus om eerst de storm tot bedaren te brengen. Hij zegt maar één ding: Kom. Kom in beweging. Want vertrouwen is niet geloven dat God het allemaal wel oplost. Vertrouwen is geloven dat wij, gedragen door Hem, zelf iets kunnen doen. Dat wij verschil kunnen maken. Niet voor iedereen. Niet overal. Maar wel voor die mens die op ons pad komt.
Wij kunnen iemand een naam teruggeven waar hij een nummer is geworden. Wij kunnen luisteren waar anderen al geoordeeld hebben. Wij kunnen delen waar angst zegt dat er tekort is. Wij kunnen onze stem verheffen wanneer mensen worden weggezet. Wij kunnen gastvrij zijn waar deuren gesloten blijven. Dat zijn misschien kleine dingen. Maar het evangelie begint voortdurend met kleine dingen. Vijf broden. Twee vissen. Eén uitgestoken hand. Eén mens die uit de boot durft te stappen. Dus de vraag is niet hoeveel vertrouwen wij nog nodig hebben. De vraag is: wat durven wij met het vertrouwen dat ons al gegeven is? En dan hebben we ook het antwoord: Kom, ik ben er ook voor jou hoe je ook heet.
1e
lezing: 1 Kon. 19, 9a. 11-13a; 2e lezing: Rom. 9, 1-5; evangelie: Matteüs 14, 22-33
Nadat de menigte was verzadigd. dwong Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen, terwijl Hij het volk naar huis zou zenden. Toen Hij het volk had weggezonden, ging Hij de berg op om in afzondering te bidden. De avond viel en Hij was daar alleen. De boot was reeds vele stadiën uit de kust en werd geteisterd door de golven, want zij hadden tegenwind. In de vierde nachtwake kwam Hij te voet over het meer naar hen toe. Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan, raakten zij van streek omdat zij een spook meenden te zien en zij begonnen van angst te schreeuwen. Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen: ‘Weest gerust. Ik ben het. Vreest niet.’ ‘Heer’, antwoordde Petrus, ‘als Gij het zijt, zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.’ Waarop Jezus sprak: ‘Kom!’ Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang; hij begon te zinken en schreeuwde: ‘Heer, red mij!’ Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl hij tot hem zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’ Nadat zij in de boot gestapt waren, ging de wind liggen. 33 De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden: ‘Waarlijk. Gij zijt de Zoon van God.’