Lucas en Mattheüs zijn de twee evangelisten die ons het verhaal vertellen van de geboorte en het bezoek aan het kind Jezus. Twee verhalen die elk een eigen betekenis bezitten. Zo openbaart God zich tijdens kerstnacht in het Lucasevangelie aan de herders, aan het gepeupel van Judea. Bij Mattheus daarentegen gaat het vandaag om Wijzen uit het Oosten. Geleerden die de wijde wereld vertegenwoordigen. Daarmee doelt Mattheus dat Gods liefde zich niet beperkt tot het uitverkoren volk van Israël maar zich ook richt tot de volken buiten het toenmalige Palestina. God die zich door de eeuwen heen bij monde van zijn profeten heeft geopenbaard heeft zich uiteindelijk en definitief geopenbaard in zijn Zoon en wel aan alle volken, rassen en talen. Overigens komt Mattheus’ verhaal sympathiek over omdat het als ‘het verhaal van de drie koningen’ zijn eigen weg is gegaan. De wijzen werden omgedoopt tot drie koningen omwille van de drie geschenken: goud, wierook en mirre. Komt er nog bij dat elk van hen een huidskleur toegekend kreeg samen met een naam: Caspar, Balthasar en Melchior, Met andere woorden, onze drie mannen kwamen uit de drie toen bekende continenten. Verzinselen, denken we terecht, maar wel passende pogingen om voor eenvoudige mensen zoals wij, het Godsgeheim bevattelijk te maken.
Want precies over dit zich ‘openbarende’ mysterie gaat het vandaag. In zijn brief aan Titus drukt de apostel Paulus deze openbaring kernachtig uit: “De menslievendheid van onze God, bron van alle heil voor alle mensen, is op aarde verschenen.” (Tit 2,11). Eenvoudiger gezegd: Gods liefde openbaart zich in de geboorte van zijn Zoon Jezus Christus. Geen alleenstaande, korte gebeurtenis maar een wórdingsproces dat zichtbaar werd in drie belangrijke openbaringen bij het begin van Jezus’ leven: de aanbidding door de wijzen of Jezus’ openbaring aan de heidenen, de doop in de Jordaan of Zijn openbaring als Zoon van God én de bruiloft te Kana waar Jezus zijn eerste goddelijke teken stelt. Heel opvallend is hierbij dat het verhaal over zijn doop in de vier evangeliën beschreven staat. Ze verhalen immers dé openbaring bij uitstek van de Drie ene God. Een openbaring van Godsvolheid dat voor de Oosterse Kerk hét Kerstfeest is.
In wat volgt sta ik stil bij een belangrijke tegenstelling in het verhaal: Tegenover het rotsvaste zekerheid van koning Herodes namelijk
staat het voorzichtig zoeken naar inzicht door de wijzen. Daarin maken onze zoekers een sympathieke indruk, terwijl de hardvochtige Herodes weerstand verwekt. En ook al gaat het in het evangelie om Jezus toch zijn voor Mattheus de wijzen de hoofdfiguren van het verhaal. Zoekende mensen voor wie, net als voor ons, niet alles a priori vast staat. Zo wijst de ster hen – tegen hun verwachting in - niet naar de hemel maar naar de aarde, naar de plaats waar het te gebeuren staat. De oude droom van de Redder die nu in een kind werkelijkheid wordt. Daarmee hebben ze in Bethlehem niet gevonden wat ze zochten, en wordt deze openbaring een verhaal van zoeken en van vinden, een verhaal van zogenaamde heidenen die geen weet hebben van de Schrift noch van de Traditie, maar soms beter de tekenen van de tijd verstaan dan menig gelovige die meent alles reeds te weten en voor wie niets nieuws meer onder de zon staat te gebeuren. Geloven is daarom geen kwestie van het plaatsen van uitroeptekens, van evidenties, en ook niet van vraagtekens, van onzekerheden. Geloven is het zien van een dubbelpunt. En dubbelpunt dat een gedachte of een opvatting niet afbreekt maar een opening maakt naar iets onverwachts, naar een mysterie. Naar God die nooit volledig gekend en gevonden wordt, én naar God die zich groeiende wijs openbaart als: “Ik zal er zijn.” (Ex 3,14), in het leven van al wie Hem blijven zoeken. Van zijn onbegrensde Liefde die zich pas ten volle openbaarde in zijn mens geworden Zoon aan het kruis op Golgotha. Zalig zijn zij die blijven zoeken naar God die zich in het dagelijkse leven anders laat kennen dan gehoopt of verwacht.
1e
lezing: Jesaja 60, 1-6; 2e lezing: Efeziërs 3, 2-3a. 5-6; evangelie: Matteüs 2, 1-12
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Toen dan Jezus te Bethlehem in Juda geboren was ten tijde van koning Herodes, kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het oosten en vroegen: ‘Waar is de pasgeboren koning der Joden? Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen.’ Toen koning Herodes dit hoorde, werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem. Hij riep alle hogepriesters en Schriftgeleerden van het volk bijeen en legde hun de vraag voor, waar Christus moest geboren worden. Zij antwoorden hem: ‘Te Bethlehem in Juda. Zo immers staat er geschreven bij de profeet: En gij, Bethlehem, landstreek van Juda, gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman te voorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk Israël.’ Toen ontbood Herodes in het geheim de Wijzen en vroeg hun nauwkeurig naar de tijd waarop de ster verschenen was. Daarop zond hij hen naar Bethlehem met de opdracht: ‘Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar dat Kind en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan, opdat ook ik het hulde kan gaan brengen.’ Na de koning aangehoord te hebben vertrokken zij. En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden, ging voor hen uit totdat zij boven de plaats waar het Kind zich bevond stil bleef staan. Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde. Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neer vallend betuigden zij het hun hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre. En in een droom van Godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg naar hun land.