Preek van 22 februari 2026

Preek van 22 februari 2026

1zondag Veertigdagentijd

“Als je naast deze mensen loopt, besef je dat ze elk mensenrecht hebben om haat jegens elke Rus te voelen”, aldus Anastasia Kucherova. De Russische Kucherova was een van de vele vrijwilligsters bij de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Milaan. Van te voren kregen de vrijwilligers een bord van een willekeurig land. Maar toen er gevraagd werd of er vrijwilligers zijn die een bepaalde voorkeur hadden, wilde Kucherova het bord van Oekraïne dragen. “Het is belangrijk om aan Oekraïners te laten zien dat misschien niet iedere Rus er hetzelfde over denkt”, aldus de Russische, “ook al is dit maar een kleine protestactie.” De Oekraïense sporters herkenden meteen haar afkomst en spraken haar in het Russisch aan. Dat was voor Kucherova een teken van een diepe band tussen Russen en Oekraïners.

“Maar de slang zei tot de vrouw”, hoorden we zojuist in de eerste lezing, “gij zult helemaal niet sterven. God weet dat uw ogen open zullen gaan als ge eet van die boom, …”

Het eerste mensenpaar is in een tuin waar alle voedsel als vanzelf groeit, aanlokkelijk is om te zien en heerlijk om van te eten. In die tuin maakt het mensenpaar kennis met een schepsel uit het dierenrijk: een slang. Dit fabeldier - slangen spreken niet, dat doen alleen fabeldieren - begint een gesprek met de vrouw, en vraagt haar: “heeft God werkelijk gezegd dat ge van geen enkele boom in de tuin moogt eten?” De vrouw ontkent dit: alleen van de boom in het midden van de tuin - oftewel: de boom van het leven - mogen zij niet eten. Hierbij neemt zij de levensboom en de boom van kennis van goed en kwaad samen. Eten van die kennis betekent immers de dood. En dan is het niet-eten van die boom van kennis van goed en kwaad een kwestie van leven en dood. Omdat het hier niet enkel om een scheppingsverhaal gaat, staat ook het maken van diepgaande, richtinggevende basiskeuzes hier centraal, namelijk: kiezen om Gods wegen te gaan, dat is een keuze tussen leven en dood, tussen Gods zegen en vloek. Het is weten wat het leven en de toekomst je te bieden hebben: kies ik voor deze God die mijn God wil zijn, of niet? Vanuit deze visie is hier in de eerste lezing maar één goede keuze: jezelf tot Gods mens maken, door van alle bomen te eten behalve van die ene.

“Niet van brood alleen leeft de mens”, antwoordt Jezus de verleider, “maar van elk woord dat komt uit de mond van God.”

Jezus wordt door de Geest naar de woestijn geleid. Veertig dagen en nachten eet en drinkt hij niet. En dáár, in die woestijn - de tegenpool van het paradijs, de tuin van Eden - verblijft Jezus veertig dagen en nachten, onthoudt zich van alle spijs en drank, en krijgt honger. “Nu trad de verleider op hem toe en sprak: ‘als gij de zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen’.” Jezus wordt getest, door de verleider op de proef gesteld: “als gij de zoon van God zijt, zeg dan dat deze stenen brood worden.” Men zou hier kunnen wijzen op de gelijkenis tussen ronde broden en stenen in Palestina, of op het belang van brood voor iemand die honger heeft. Maar veeleer gaat het hier om het testen van de gehoorzaamheid van Gods Zoon. Kan hij ertoe gebracht worden om, na veertig dagen en nachten vasten, zijn zoonschap te gebruiken door van stenen brood te maken? Kan hij ertoe gebracht worden om publiekelijk, als een soort charismatische wonderdoener, zijn zoonschap te gebruiken door de vraag naar brood, en die van het voedselprobleem, op te lossen?

Maar Jezus antwoordt de verleider: “niet van brood alleen leeft de mens, maar van elk woord dat komt uit de mond van God.” Geen pleidooi dus voor ‘geestelijk voedsel’ dat meer zou zijn dan ‘stoffelijk voedsel’. Geen aansporing dus dat het ‘aardse’ minder zou zijn dan het ‘geestelijke’. Nee, met zijn antwoord wijst Jezus erop, dat het in het leven niet alleen om brood gaat. Niet het leven dat louter rondom uiterlijke en materiële zaken draait, en geen samenhang heeft met het doel van het leven en de bestemming van ieder mens. In het leven draait het ook, aldus de evangelielezing, om ‘elk woord, dat komt uit de mond van God.’ Elk woord dat ordenend, scheppend en bewarend, maar ook kritisch en zuiverend het leven van ieder mens binnentreedt.

Hiermee zijn we dan enigszins teruggekeerd bij de eerste lezing. Immers, de lezingen van vandaag nodigen ons uit om over het maken van diepgaande, richtinggevende basiskeuzes na te denken, zoals: het afwegen van leven tegenover de kennis van goed en kwaad in de eerste lezing, en het doordenken van wat het betekent om echt een kind van God te zijn in het evangelie. Dit klinkt allemaal heel abstract. Maar hoe ziet dat in het dagelijks leven eruit? Misschien is het wel dat voorbeeld uit die openingsceremonie van de Olympische Spelen in Milaan, toen een Russische vrijwilligster ervoor koos om het bord van Oekraïne te dragen. “Het is belangrijk om aan Oekraïners te laten zien”, aldus de Russin, “dat misschien niet iedere Rus er hetzelfde over denkt, ook al is dit maar een kleine protestactie.” Dit mag dan misschien gelden voor de Russische vrijwilligster en de Oekraïense sporters, die haar gebaar zeer hebben gewaardeerd. Maar geldt een dergelijke houding ook voor ons? Voor ieder van ons? Amen.

1e lezing: Genesis 2, 7-9; 3, 1-7; 2e lezing: Romeinen 5, 12-19; evangelie: Matteüs 4, 1-11
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden. Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger. Nu trad de verleider op Hem toe en sprak: ‘Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen.’ Hij gaf ten antwoord: ‘Er staat geschreven: Niet van brood alleen leeft de mens, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt.’ Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort en sprak tot Hem: ‘Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden, want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven, dat zij U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.’ Jezus zei tot hem: Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen.’ Tenslotte nam de duivel Hem mee naar een heel hoge berg, vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld toonde in hun heerlijkheid. En hij zei: ‘Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt.’ Toen zei Jezus hem: ‘Weg, satan: er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.’ Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem hun diensten te bewijzen.