Preek van 19 juli 2026

Preek van 19 juli 2026

16e  zondag door het jaar

Broeders en zusters, Jezus vandaag niet over een bliksemschicht uit de hemel of een wonder dat de wereld in één ogenblik verandert. Hij spreekt over een akker. Een gewone akker. Dat is veelzeggend. Het Koninkrijk van God begint blijkbaar niet op plaatsen waar het spectaculair is, maar juist daar waar mensen leven, werken, zorgen, lijden en wachten. De akker is het dagelijks leven. Het is de keuken, het kantoor, de fabriek, de school, het gezin en ook het klooster. Daar groeit Gods Koninkrijk, vaak zonder dat wij het merken.

Dan krijgt de gelijkenis een onverwachte wending. Niet alleen de eigenaar zaait. Ook de vijand zaait. Dat is misschien wel de meest realistische zin uit het hele evangelie. Want wie eerlijk naar zijn eigen leven kijkt, ontdekt dat er inderdaad twee soorten zaad lijken te groeien. Er zijn dagen waarop het vanzelf lijkt te komen. Geduld kost nauwelijks moeite. Vergeven voelt bijna natuurlijk. Maar er zijn ook dagen waarop irritatie, achterdocht, jaloezie of moedeloosheid zich aandienen zonder dat wij ze hebben uitgenodigd. Alsof iemand anders in de nacht ook over onze akker heeft gelopen.

De woestijnvaders zouden hierover niet verbaasd zijn geweest. Zij brachten hun leven door in de stilte van de Egyptische woestijn, niet omdat daar minder strijd was, maar omdat zij daar eindelijk ontdekten waar de werkelijke strijd plaatsvindt. Niet buiten de mens, maar in zijn hart. Abba Poi-men zei eens: "Geef geen aandacht aan de gedachten die binnenkomen; vraag liever wie ze binnenlaat." Dat is een schitterende opmerking. Niet iedere gedachte verdient een stoel aan tafel. Niet iedere emotie hoeft onmiddellijk gevolgd te worden. Niet alles wat zich aandient, hoeft ook een thuis te krijgen. We zijn in staat om te zeven.

Jezus zegt bovendien iets wat gemakkelijk over het hoofd wordt gezien. Het onkruid groeit niet vanzelf uit de aarde. Het wordt gezaaid. Dat is een belangrijk onderscheid. Het kwaad behoort niet tot Gods schepping. God heeft de mens niet geschapen voor haat, hoogmoed of verdeeldheid. Maar zodra het kwaad eenmaal gezaaid is, raakt het verweven met het goede, zo diep zelfs dat de knechten niet meer kunnen onderscheiden wat veilig verwijderd kan worden en wat niet.

Misschien herkennen wij dat wel in ons eigen leven. Wij denken soms precies te weten waarom wij iets doen. Totdat wij werkelijk stil worden. Dan ontdekken wij dat achter een goede daad soms ook een verlangen naar waardering schuilgaat. En omgekeerd kan achter een misstap een diep verlangen verborgen liggen om eindelijk gezien of bemind te worden. Het menselijk hart is geen keurige kamer waarin alles netjes geordend op zijn plaats ligt. Het lijkt eerder op de zolder van een eeuwenoude abdij. Daar liggen kostbare handschriften naast stoffige kisten. Er hangen spinnenwebben die ouder lijken dan de bewoners zelf. Er staan vergeten schatten en overbodige rommel broederlijk naast elkaar. Wie met een grote bezem naar boven rent om alles in één middag op te ruimen, zal waarschijnlijk eerst de geschiedenis beschadigen voordat de stof verdwenen is.

Wij zijn vaak veel ongeduldiger dan God. Wij willen na één retraite veranderd zijn. Na één biecht verwachten wij dat alle zwakheden voorgoed verdwenen zijn. Wij willen eigenlijk heiligen worden vóór de vespers beginnen. God denkt anders. Hij heeft geen horloge. Hij is aan geen tijd gebonden. Dat vraagt vertrouwen. Want groeien laat zich niet afdwingen. Het onzichtbaar, alleen kenbaar voor onszelf.

Jezus plaats een haast irritante opmerking. "Laat beide samen opgroeien tot de oogst." Het is een lofzang op Gods geduld, maar ook een aanval op ons ongeduld om de schoffel ter hand te nemen. Jezus kent de kwetsbaarheid van het goede. Wie te vroeg het onkruid uittrekt, trekt soms ook de jonge tarwe mee uit de grond. Hoe vaak is dat niet gebeurd in de geschiedenis van de Kerk? Hoe vaak hebben mensen uit naam van de waarheid beschadigd? Hoe vaak is zuiverheid belangrijker geworden dan barmhartigheid?

Moeten we het kwaad relativeren? Zeker niet, we doen het al te veel nu er elke nacht weer bommen vallen. Het ego van macht zaait het kwaad. Het evangelie neemt het kwaad uiterst serieus. Maar het waarschuwt ons dat wij geen rechter willen spelen. Ik vind wel dat we er iets van mogen vinden en onze afschuw mogen laten blijken. De Iranees heeft niets aan medelijden wel aan compassie. Aan hulp als er hongersnood dreigt. Wij hebben geen invloed op het kwaad dat zo groot is dat het niet meer uit is te drijven. God hier is God aan zet, terwijl wij het als mensheid wel zover hebben laten komen. .

Juist daarom is de eerste lezing zo indrukwekkend. Daar wordt Gods macht op een verrassende manier beschreven. Niet als geweld. Niet als overweldigende kracht. Maar als geduld. "Gij toont uw macht doordat Gij spaart." Dat is een revolutionaire gedachte. Mensen tonen hun macht vaak door te overheersen. God toont zijn almacht door ruimte te geven. Alleen iemand die werkelijk sterk is, hoeft zijn stem niet voortdurend te verheffen. Alleen iemand die werkelijk gezag bezit, hoeft niet altijd onmiddellijk gelijk te krijgen. Alleen God kan wachten zonder ooit de hoop te verliezen.

Misschien ligt daarin ook een boodschap voor onze tijd. Wij leven in een samenleving die snel oordeelt. Eén uitspraak op sociale media kan voldoende zijn om iemand voorgoed af te schrijven. Eén fout lijkt soms belangrijker dan een heel leven van trouw. Het evangelie nodigt ons uit tot een andere houding. Niet naïef. Niet blind voor het kwaad. Maar wel met de blik van Christus, die altijd verder kijkt dan het ogenblik. Hij ziet niet alleen wat een mens vandaag is, maar ook waartoe hij geroepen is.

Aan het einde van de gelijkenis spreekt Jezus over de oogst. Dat is niet het einde van de hoop, maar juist de voltooiing ervan. De oogst behoort niet aan de knechten toe. Zij behoort aan God. Gelukkig maar. Want als wij zelf de laatste rechter zouden zijn, zou de wereld er vermoedelijk heel anders uitzien. God ziet immers wat wij niet kunnen zien. Hij kent de verborgen geschiedenis van ieder mensenhart. Hij weet welke tranen nooit zijn gezien, welke strijd nooit is uitgesproken en welke bekeringen zich in stilte hebben voltrokken. En toch roep ik in mijn wanhoop uit: waarom de haat tussen volken die van dezelfde stam komen. Waarom worden we gedomineerd door politieke leiders die alleen maar kwaad hebben te bieden.

Aleksandr Solzjenitsyn, die de Sovjetkampen overleefde, schreef een zin die nog altijd huiveringwekkend actueel is: "De grens tussen goed en kwaad loopt niet tussen staten, klassen of partijen, maar dwars door ieder mensenhart." Zolang wij denken dat het kwaad uitsluitend bij de ander woont, zullen wij het nooit werkelijk overwinnen. Dus laten we goed de tuin van ons hart onderhouden zodat het kwaad niet de overhand krijgt en het goede wat we allen in ons dragen verzorgen. Dan dragen we bij aan de wereldvrede en strijden we actief tegen machteloosheid.

1e lezing: Wijsheid 12, 13. 16-19; 2e lezing: Rom. 8, 26-27; evangelie: Matteüs 13, 24-43
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd hield Jezus de menigte een andere gelijkenis voor: ‘Het Rijk der hemelen gelijkt op een man die op zijn akker goed zaad had gezaaid; maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid tussen de tarwe en ging heen. Toen de halmen opgeschoten waren en vrucht hadden gezet, was ook het onkruid te zien. Nu gingen de knechten naar hun meester en zeiden hem: Heer, ge hebt toch goed zaad op uw akker gezaaid? Hoe komt het dan dat er onkruid op staat? Hij antwoordde hun: Dat is het werk van een vijand. De knechten zeiden tot hem: Wilt ge dan dat we het bijeengaren? Maar hij zei: Neen, ik ben bang dat ge, wanneer ge het onkruid bijeengaart, de tarwe mee uittrekt. Laat beide samen opgroeien tot de oogst, en met de oogsttijd zal ik maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bussels om te verbranden; maar slaat de tarwe op in mijn schuur.’ Een andere gelijkenis hield Hij hun voor: ‘Het Rijk der hemelen gelijkt op een mosterdzaadje, dat iemand op zijn akker zaaide. Weliswaar is dit het allerkleinste zaadje, maar wanneer het is opgeschoten, is het groter dan de andere tuingewassen; het wordt een boom, zodat de vogels uit de lucht in zijn takken komen nestelen.’ Nog een andere gelijkenis vertelde Hij hun: ‘Het Rijk der hemelen gelijkt op gist, die een vrouw in drie maten bloem verwerkte, totdat deze in hun geheel gegist waren.’ Dit alles sprak Jezus tot het volk in gelijkenissen en zonder gelijkenissen leerde Hij hun niets, opdat in vervulling zou gaan het door de profeet gesproken woord: Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen, Ik zal openbaren wat verborgen is geweest vanaf de grondvesting der wereld. Toen liet Hij de menigte gaan en keerde naar huis terug. Zijn leerlingen kwamen nu naar Hem toe en zeiden: ‘Leg ons de gelijkenis uit van dat onkruid op de akker.’ Hij gaf hun ten antwoord: ‘Die het goede zaad zaait, is de Mensenzoon; de akker is de wereld; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Rijk; het onkruid zijn de kinderen van het kwaad, en de vijand die het zaaide, is de duivel. De oogst is het einde van de wereld en de maaiers zijn de engelen. Zoals nu het onkruid wordt bijeengebracht en in het vuur verbrand, zo zal het ook gaan op het einde van de wereld. De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Rijk bijeenbrengen allen die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven om hen in de vuuroven te werpen, waar geween zal zijn en tandengeknars. Dan zullen de rechtvaardigen in het Koninkrijk van hun Vader schitteren als de zon. Wie oren heeft, hij luistere’ .