Preek van 12 april 2026

Preek van 12 april 2026

2e zondag van Pasen - Beloken Pasen

Van sommige mannen wordt gezegd dat ze met een baksteen in de maag zijn geboren. Eenmaal de bouwplannen goed bevonden zijn, zien ze het nieuwe gebouw helemaal vóór zich staan, ook al staat het er nog niet. Vermoedelijk heeft élke kunstenaar wel een gelijkaardige ervaring. En zo zal het wel zeker zijn dat God de voltooiing van de mensenwereld reeds vóór zich zag op die eerste dag van de Schepping.

Over dit soort ‘zien’ heeft Johannes het vandaag in zijn evangelie. Eeuwenlang reeds lezen wij op de eerste en tweede zondag van Pasen het verrijzenisverhaal omdat de betekenis die Johannes aan ‘zien’ geeft heel toepasselijk is, Als geen ander beschrijft Johannes de climax van ‘waarnemen’ naar ‘voor waar aannemen’, van ‘zien’ naar ‘geloven’. Een groeiproces dat Johannes over één week spreidt waar dit in werkelijkheid jaren heeft geduurd. Want Johannes schrijft dit evangelie een halve eeuw na de feiten op een moment dat ook de gemeente, tot wie hij zich richt, zich ook afzondert uit angst voor de vervolging vawege de Joden. Maria Magdalena, de andere leerling, Petrus, de apostelen en niet het minst, Thomas, zijn voor Johannes voorbeelden van volgelingen die zonder echt te zien, op een verschillende wijze geloofd hebben in Jezus,de ‘Christus en hun Heer’.

Op de avond van de eerste dag echter zien deze leerlingen nog volstrekte duisternis. Er is bij hen niet alleen de angst voor de joden. Ze voelen ook heel sterk de pijn en de schuld in het eigen hart. ‘Wie waren wij op het moment dat we een voor een op de vlucht sloegen?’ Ja, ze waren nu wel bij elkaar maar het was de angst die hen samenhield. En er was de uitzichtloosheid omdat alles wat ze geloofd hadden, in één ruk was weggeveegd. Hun meester, hun Heer was als een gemene misdadiger vermoord aan het kruis. Die Jezus is nu dood. En zijn lichaam is onvindbaar. En waar is Thomas toch! Hij doolt rond in de straten van Jeruzalem, compleet onderuitgehaald omdat hij nu aan niemand nog enige boodschap heeft. En blijkbaar op de achtste dag van de week, de dag waarop volgens de Schriften de Messias zal verschijnen, op die achtste dag – een week later - zoekt Thomas opnieuw aansluiting. Maar het weerzien lijkt op een anticlimax. Thomas voelt zich als een toeschouwer, een vreemde die afstand neemt van de vreugde die er heerst. Want Thomas is een nuchter man. Als Christus verrezen is, dan moet Hij tegelijk de door wonden getekende Jezus zijn. Aan dat geloof houdt Thomas vast. Niet in een nieuw en volmaakt lichaam gelooft hij maar Christus zal enkel aan diens wonden te herkennen zijn. allereerste woord ook van onze nieuwe paus Leo. Een Christus toont die achtste dag opnieuw zijn wonden en uitgerekend tegen Thomas zegt Christus: ‘Steek uw hand in deze wonde en voel het verraad, de vijandschap en de verdeeldheid.’ En in die wonden zag Thomas de offerdood die de Heer had doorstaan: de genezing namelijk van alle wonden die mensen elkaar aandoen. Als Jezus aan iets te herkennen blijft dan is het wel aan wat Hij in gehoorzaamheid heeft doorstaan: de dood aan het kruis! ‘Vrede’ zegt Jezus opnieuw, die achtste dag. Het wérkwoord dat gedáán moet worden: verzoening bewerken, vergeving schenken, voldoening brengen. Daartoe heeft de Vader Hem in de wereld gezonden. Daartoe zendt Christus nu zijn leerlingen. En elke achtste dag van de week verschijnt Christus óók vandaag nog, en zendt Hij ieder van ons. Vergeving betekent immers, middenin alles staan wat scheidt en verdeelt bruggen slaan en verzoenen in navolging van Gods Zoon die aan den lijve het kwaad heeft gevoeld en geleden heeft om de zonde die Hijzelf nooit heeft begaan.

‘Zien’ wordt dan ‘opzien’ naar de gewonde Jezus en in Hem opzien naar onze barmhartige God en Vader die het leed van mensen in zijn hart blijft meedragen.

1e lezing: Hand. 2, 42-47; 2e lezing: Petrus 1, 3-9; evangelie: Johannes 20, 19– 31
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In de avond van die eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij u.’ Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei Jezus tot hen: ‘Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.’ Na deze woorden blies Hij over hen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.’ Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd, was echter niet bij hen, toen Jezus kwam. De andere leerlingen vertelden hem: ‘Wij hebben de Heer gezien.’ Maar hij antwoordde: ‘Als ik niet in zijn handen het teken van de nagelen zie en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven.’ Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Tomas er bij. Hoewel de deuren gesloten waren, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij u.’ Vervolgens zij Hij tot Tomas: ‘Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig, maar gelovig.’ Toen riep Tomas uit: ‘Mijn Heer en mijn God!’ Toen zei Jezus tot hem: ‘Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.’ Nog vele andere tekenen heeft Jezus gedaan in het bijzijn van zijn leerlingen, welke niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend, opdat gij moogt geloven, dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt bezitten in zijn Naam.