Preek van 11 januari 2026

Preek van 11 januari 2026

Doop van de Heer

Met groot militair machtsvertoon hebben onlangs de Verenigde Staten Venezuela platgelegd en de president van dat land opgepakt en ontvoerd. Dit leidde internationaal tot wisselende reacties. Zo reageerden veel naar het buitenland gevluchte Venezolanen verheugd op het verdwijnen van de president, die als een wrede dictator werd gezien. Maar er klonken ook afkeurende geluiden, zoals: “veel Venezolanen zullen opgelucht zijn dat hij weg is,” aldus de leider van Nederlands grootste partij in de Tweede Kamer. “Maar door eenzijdig en zonder VN-mandaat op te treden, schept de regering Trump een precedent met grote risico’s voor de rest van de wereld. Wanneer landen het internationale recht loslaten, dreigt een wereld waarin macht boven recht gaat.” Geldt dan het recht van de sterkste? Gaat macht boven recht?

En dan horen wij in de eerste lezing geheel andere woorden: “Ik heb mijn geest op hem gelegd, hij verkondigt de volkeren het recht. Hij roept niet en hij schreeuwt niet, en op straat hoort men zijn stem niet.”

Het volk Israël is in ballingschap weggevoerd. Met troostende woorden, zoals die van de vier knechtsliederen, bemoedigt Jesaja het volk. Een daarvan hebben wij zojuist gehoord. Knecht-zijn is niet een bepaalde functie - zoals priester, koning of profeet - maar wijst op de intieme relatie tussen God en zijn dienaar: “Zie, mijn dienaar, die Ik ondersteun, mijn uitverkorene, in wie Ik behagen schep.” God heeft zijn knecht met zijn geest toegerust, zodat hij zijn opdracht kan vervullen, namelijk: het doen van gerechtigheid en instaan voor mensen, zodat zij tot hun recht kunnen komen. De ballingen ervaren zich in hun ballingschap als een ‘geknakt riet’, een ‘kwijnende vlaspit’. Daarom gaat Gods knecht op een tedere en pastorale wijze met hen om: geen geschreeuw of stemverheffing, maar respect en volhardend. Hij beoogt het leven van mensen, van alle mensen, opdat blinden gaan zien en gevangenen bevrijd worden. Geldt ook hier het recht van de sterkste? Gaat macht boven recht?

De opdracht van Gods knecht is niet alleen voor Israël - het volk van God - bestemd, maar voor alle volken. God neemt zijn knecht omwille van Zijn volk Israël in dienst, alsook om een licht voor alle volken te zijn. Dit is een bemoedigende blijde boodschap voor allen, waaraan ook God veel vreugde beleeft!

“Dit is mijn geliefde zoon, in wie Ik welbehagen heb”, zegt een stem uit de hemel, doelend op Jezus.

Johannes de Doper treedt in de woestijn van Judea op. Hij roept daar de mensen op tot ommekeer: bekeert u, want het Rijk Gods is nabij! In de lezing van vandaag komt ook Jezus naar de Jordaan om door Johannes gedoopt te worden. Hij sluit zich bij de vele mensen uit Jeruzalem en Judea aan die zich door Johannes laten dopen. Johannes zelf voelt zich niet waardig om Jezus te dopen, maar Jezus haalt hem over om het toch te doen. Na zijn doop gaat de hemel voor Jezus open en een hemelse stem zegt: “Dit is mijn geliefde zoon, in wie Ik welbehagen heb.” En zoals de knecht van God uit Jesaja met de geest van God is vervuld, zo wordt ook de gedoopte Jezus met deze Geest vervuld.

Maar hiermee is nog niet alles gezegd. In het Matteüsevangelie wordt een grote nadruk op tsedaka, gerechtigheid, gelegd. Dit houdt in: op een barmhartige wijze gerechtigheid doen, oftewel vrijgevig-zijn ten opzichte van armen. Volgens sommige rabbijnse tradities is tsedaka - daad van liefde en gerechtigheid - zelfs belangrijker dan alle geboden samen. Blijkbaar geldt hier niet: het recht van de sterkste, en macht boven recht. Dit klinkt allemaal mooi en aardig, maar: wat is dat, gerechtigheid doen? Is dat soms zorg dragen dat mensen tot hun recht komen? Opkomen voor de rechten van de kansarmen en onderdrukten, oftewel: de ‘geknakte rieten’ en ‘kwijnende vlaspitten’ in onze samenleving? Of is het veeleer mensen bemoedigen? Getuigen dat God zijn volk nabij is, en de mensen niet in de steek laat?

Moeilijke vragen, met even moeilijke antwoorden. Vragen die niet een, twee, drie te beantwoorden zijn. Krachtens ons doopsel zijn ook wij op een bepaalde weg gezet. Een weg, waarop wij - al dan niet bewust - het levensprogramma van Jezus navolgen. Hoe proberen wij, binnen het leven van iedere dag, aan dat ‘doen van gerechtigheid’ invulling te geven? Door op te komen voor de ‘geknakte rieten’ en ‘kwijnende vlaspitten’ in onze samenleving? Door goede doelen geldelijk te ondersteunen? Of misschien wel door gul mee te doen met allerlei inzamelingsacties voor rampen in Verweggistan, en daarnaast de ogen te sluiten voor datgene wat er om ons heen gebeurt, voor de nood in onze eigen omgeving? Hoe proberen wij, binnen het leven van iedere dag, aan dat ‘doen van gerechtigheid’ invulling te geven?

Lastig? Zeker! Vervelend? Absoluut! Een gevoel van ontmoediging? Zonder meer! Met onze doop, al dan niet in de Jordaan, zijn wij op een bepaalde weg gezet, en wel op die van God, een weg ten leven. Dagelijks, in onze eigen omgeving, proberen wij die weg te bewandelen. Proberen wij dit in praktijk te brengen. Met vallen en opstaan, in woord en daad. Geldt ook dan het recht van de sterkste? Gaat macht boven recht? Of … misschien ook niet? Amen.

1e lezing: Jesaja 42, 1-4. 6-7; 2e lezing: Handelingen 10, 34-38; evangelie: Matteüs 3, 13-17
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes om zich door hem te laten dopen. Maar Johannes wilde Hem tegenhouden met de woorden: ‘Ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?’ Jezus antwoordde hem: ‘Laat nu maar; want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen.’ Toen liet hij hem toe. 6 Nadat Jezus gedoopt was, steeg hij terstond uit het water. En zie, daar ging de hemel open en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over zich komen; en een stem uit de hemel sprak: ‘Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb.’