Preek van 1 maart 2026

Preek van 1 maart 2026

2zondag Veertigdagentijd

“Chinese must go.” Dat staat op een Amerikaans speelgoedpistool ergens uit het eind van de 19e eeuw. Het had ook van nu kunnen zijn. De agressieve afkeer van mensen die herkenbaar zijn als migrant is in het Amerika van Donald Trump groot. Dit erfgoed is een van de schaarse verwijzingen naar de actuele politiek in Fenix, een museum in Rotterdam dat het eeuwenoude verhaal van migratie aan de hand van kunst vertelt. Fenix mengt zich niet zozeer in de actuele discussie rond migratie, maar focust wel op universele thema’s. Het wil de menselijke verhalen van hoop, afscheid, geluk, maar ook onzekerheid en dromen vertellen. Waarbij ook de scherpe randen van migratie worden belicht. Immers, ook discriminatie, uitbuiting en eenzaamheid zijn tenslotte van alle tijden.

“Trek weg uit uw land, uw stam en uw familie”, aldus God tot Abram in de eerste lezing, “naar het land dat Ik u zal aanwijzen.”

Abram is in Harran, een stad in het zuidoosten van het huidige Turkije. Zijn familie had zich daar gevestigd, nadat zij Ur hadden verlaten. Na verloop van tijd sterft Terach, de vader van Abram, en wordt Abram door God geroepen: “trek weg uit uw land, uw stam en uw familie, naar het land dat Ik u zal aanwijzen. Ik zal een groot volk van u maken.”

In deze belofte komt een problematisch aspect voor. God vertelt Abram dat hij tot een groot volk zal uitgroeien. Maar een van de dingen die we over Abram en zijn vrouw vernemen, is dat Sarai onvruchtbaar is. In de toenmalige samenleving was kinderloosheid een van de grootste rampspoeden die iemand kon overkomen. De naam van de familie kon alleen blijven bestaan, als er nakomelingen kwamen. Zonder kinderen was er geen toekomst. Bij de belofte die God aan Abram doet, stipt de lezing nog een ander element aan. Wanneer Abram in Kanaän arriveert, verschijnt God aan hem en zegt: ‘aan uw zaad zal ik dit land geven’. Die toezegging domineert heel de bijbelse geschiedenis van Israël. Het is niet voor niets dat God haar nog enige malen tegenover Abram herhaalt, en benadrukt dat zijn nakomelingen talrijk zullen zijn. Een mooie, maar vooral ook wonderlijke belofte aan iemand die niet alleen geen kinderen heeft, maar wiens vrouw ook nog eens onvruchtbaar is.

“Dit is mijn geliefde Zoon”, aldus de stem uit de wolk, “in wie Ik welbehagen heb; luistert naar Hem.”

Jezus neemt Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en brengt hen op een hoge berg, waar zij alleen zijn. Voor hun ogen verandert Jezus van gedaante. Zijn gezicht gaat stralen als de zon, en zijn kleren worden wit als licht. Vervolgens verschijnen hun Mozes en Elia, die met Jezus in gesprek zijn. Het visioen is rijk aan betekenis. Het herinnert aan Mozes’ verblijf op de berg Sinaï, waar hij God mocht aanschouwen. Mozes en Elia staan hier voor Wet en Profeten, en beiden waren ook ten hemel opgevaren. Voor de tweede keer in het boek klinkt er een stem uit de wolk. De eerste keer bij zijn doop in de Jordaan. Nu Jezus naar Jeruzalem opgaat, verzekert God dat hij ook deze nieuwe stap van harte onderschrijft.

In de lezing van vandaag loopt het visioen op het slot van het boek vooruit. Zo vangen de leerlingen een glimp van de heerlijkheid op die Jezus na zijn dood ten deel zal vallen. Het verband tussen de verheerlijking en het slot komt expliciet aan het einde van de lezing naar voren: de leerlingen moeten over het visioen zwijgen totdat Jezus uit de dood is opgestaan. De heerlijkheid van de verrijzenis is even zichtbaar. Petrus zou dat moment het liefst bevroren hebben. Wat hem betreft mag het altijd zo zijn. Zo wars als hij is van het idee dat Jezus moet lijden, zo verrukt is hij nu over dit vooruitlopen op Jezus’ toekomstige heerlijkheid. Tijdens de afdaling verzekert Jezus zijn leerlingen dat de heerlijkheid, die zij zojuist hebben gezien, pas na zijn dood werkelijkheid kan worden. Voordat het Pasen is, moet het eerst Goede Vrijdag worden. Dit geldt niet alleen voor Jezus, maar ook voor zijn leerlingen. Niemand kan Jezus’ volgeling zijn als hij zich niet geheel aan God overgeeft, en bereid is om Jezus - met vallen en opstaan - tot in de dood toe te volgen.

Eenvoudig zal dat niet zijn: luisteren naar Gods stem. Zo geeft Abram in de eerste lezing gehoor aan Gods oproep om zijn land te verlaten, en op weg te gaan naar het land dat God hem zal wijzen. En in het evangelie noemt God Jezus opnieuw zijn geliefde zoon, en klinkt zijn oproep om naar Jezus te luisteren. Gevolg geven aan Gods stem betekent niet dat je weg over rozen zal gaan, maar wel dat je een gezegend mens mag zijn, een kind van God.

En wij? Hoe proberen wij aan die stem, aan die oproep van God gehoor te geven? In een tijd waarin we met oorlogen, polarisatie, segregatie en onverdraagzaamheid te maken hebben? Negeren we die stem, die oproep en doen we niets? Of beginnen we - net als in Fenix, het migratiemuseum in Rotterdam - naar elkaars verhalen te luisteren? Verhalen van hoop, afscheid en geluk, maar ook van onzekerheid en dromen? Ongeacht wie die ander is, en waar hij of zij vandaan komt? Wat zal hierop ons antwoord zijn? Amen.

1e lezing: Genesis 12, 1-4a; 2e lezing: 2 Tim. 1, 8b-10; evangelie: Matteüs 17, 1-9
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes mee en bracht hen boven op een hoge berg, waar zij alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd: zijn gelaat begon te stralen als de zon en zijn kleed werd glanzend als het licht. Opeens verschenen hun Mozes en Elia, die zich met Hem onderhielden. Petrus nam het woord en zei tot Jezus: ‘Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.’ Nog had hij niet uitgesproken of een lichtende wolk overschaduwde hen en uit die wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld; luistert naar Hem.’ Op het horen daarvan wierpen de leerlingen zich ter aarde neer, aangegrepen door een hevige vrees. Maar Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: ‘Staat op en weest niet bang.’ Toen zij hun ogen opsloegen zagen zij niemand meer dan alleen Jezus. Onder het afdalen van de berg gelastte Jezus hun: ‘Spreekt met niemand over wat ge hebt aanschouwd, voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan.