22 februari 2026 - Voor deze Vastentijd heeft dom Isaac een Vastenbrief geschreven. Een overweging om dieper tot de kern van de Veertigdagentijd door te dringen.
22 februari 2026 - Voor deze Vastentijd heeft dom Isaac een Vastenbrief geschreven. Een overweging om dieper tot de kern van de Veertigdagentijd door te dringen.
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi
Hoe feestelijk kan vasten zijn.
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi —
woorden die blijven klinken
als een zachte adem aan het begin van de veertig dagen,
een lied dat niet loslaat,
een vraag die zich nestelt in het hart.
Elk jaar zoeken wij opnieuw
hoe wij deze tijd zullen bewonen.
We verminderen wat op tafel staat:
soep en brood op sommige dagen,
het toetje dat zwijgt,
de eenvoud die terugkeert.
Maar vasten om het vasten —
dat doen wij niet.
Wat wij besparen,
vindt zijn weg naar een vergeten land,
waar honger geen keuze is
en geweld het dagelijks brood.
Zo wordt minder hier
een beetje meer daar.
En toch lopen wij niet rond met lege magen.
Vasten is geen hongergevoel,
geen wedstrijd in onthouding,
geen poging om lichter te wegen
op de weegschaal van de wereld.
De wereld kent haar eigen vasten:
sapkuren, reiniging, beloftes van een nieuw lichaam.
Maar interessanter is de vraag
die wij elkaar stellen:
waarom vasten wij?
Wat zoeken wij werkelijk?
Onze dagen veranderen langzaam van ritme.
Teksten en liederen krijgen een andere toon.
In het gebed groeit de stilte.
Lezingen duren langer,
woorden mogen bezinken.
Zelfs het internet zwijgt na de completen,
tot de ochtend opnieuw begint.
Steeds weer die vraag:
wat doet het met mij?
Word ik er werkelijk mens van?
Ooit was vasten streng, zichtbaar, hard.
Jute zakken, as op het hoofd —
kijk eens hoe ik vast.
Maar de Schrift waarschuwt:
toon het niet aan de wereld.
Was je gezicht, zegt Jezus.
Zalf je hoofd.
Zoek de binnenkamer.
Daar begint het echte vasten:
de omkeer,
de terugkeer naar binnen.
Wij leven vaak op automatische piloot,
gedreven door wat gevraagd wordt,
door impulsen die onmiddellijk vervuld willen worden.
In de straten draagt bijna iedereen iets eetbaars,
alsof stilte niet meer verdragen wordt.
Misschien is het geen honger,
maar verveling.
Misschien verdringen wij zo
de vraag naar zin.
Tot ziekte of lijden ons stilzet
en het leven weer rauw wordt,
ongefilterd, echt.
Ook wij monniken kennen die verstrooiing.
De roeping die ooit brandde
kan vervagen.
Wat begon als paradijs
wordt soms gewoonte.
Elke ochtend om half vier opstaan.
Dezelfde stemmen,
dezelfde broeders,
dezelfde gangen.
En dan de vraag:
is dit alles?
Wie die vraag durft stellen
is dichter bij de bron
dan hij denkt.
Want vasten is herinneren
waarom je ooit begon.
Waarom je geraakt werd.
Waarom je wilde volgen.
De veertig dagen worden dan een weg.
Met Jezus leren wij opnieuw leven,
lopen wij achter Hem aan,
juichen wij op Palmzondag,
gaan wij door lijden en dood
naar het licht van Pasen.
Daar ontdekken wij
dat niet de dood het laatste woord heeft,
maar het leven —
Gods leven.
Wij keren terug naar het water,
naar de herdoop,
laten ons zalven,
staan opnieuw op
als mensen van Christus.
Dan wordt vasten feest.
Herbronning.
Groei van binnenuit.
En blijft ons gebed,
zacht maar vol verlangen:
Delf mijn gezicht op,
maak mij mooi.
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi
Hoe feestelijk kan vasten zijn.
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi —
woorden die blijven klinken
als een zachte adem aan het begin van de veertig dagen,
een lied dat niet loslaat,
een vraag die zich nestelt in het hart.
Elk jaar zoeken wij opnieuw
hoe wij deze tijd zullen bewonen.
We verminderen wat op tafel staat:
soep en brood op sommige dagen,
het toetje dat zwijgt,
de eenvoud die terugkeert.
Maar vasten om het vasten —
dat doen wij niet.
Wat wij besparen,
vindt zijn weg naar een vergeten land,
waar honger geen keuze is
en geweld het dagelijks brood.
Zo wordt minder hier
een beetje meer daar.
En toch lopen wij niet rond met lege magen.
Vasten is geen hongergevoel,
geen wedstrijd in onthouding,
geen poging om lichter te wegen
op de weegschaal van de wereld.
De wereld kent haar eigen vasten:
sapkuren, reiniging, beloftes van een nieuw lichaam.
Maar interessanter is de vraag
die wij elkaar stellen:
waarom vasten wij?
Wat zoeken wij werkelijk?
Onze dagen veranderen langzaam van ritme.
Teksten en liederen krijgen een andere toon.
In het gebed groeit de stilte.
Lezingen duren langer,
woorden mogen bezinken.
Zelfs het internet zwijgt na de completen,
tot de ochtend opnieuw begint.
Steeds weer die vraag:
wat doet het met mij?
Word ik er werkelijk mens van?
Ooit was vasten streng, zichtbaar, hard.
Jute zakken, as op het hoofd —
kijk eens hoe ik vast.
Maar de Schrift waarschuwt:
toon het niet aan de wereld.
Was je gezicht, zegt Jezus.
Zalf je hoofd.
Zoek de binnenkamer.
Daar begint het echte vasten:
de omkeer,
de terugkeer naar binnen.
Wij leven vaak op automatische piloot,
gedreven door wat gevraagd wordt,
door impulsen die onmiddellijk vervuld willen worden.
In de straten draagt bijna iedereen iets eetbaars,
alsof stilte niet meer verdragen wordt.
Misschien is het geen honger,
maar verveling.
Misschien verdringen wij zo
de vraag naar zin.
Tot ziekte of lijden ons stilzet
en het leven weer rauw wordt,
ongefilterd, echt.
Ook wij monniken kennen die verstrooiing.
De roeping die ooit brandde
kan vervagen.
Wat begon als paradijs
wordt soms gewoonte.
Elke ochtend om half vier opstaan.
Dezelfde stemmen,
dezelfde broeders,
dezelfde gangen.
En dan de vraag:
is dit alles?
Wie die vraag durft stellen
is dichter bij de bron
dan hij denkt.
Want vasten is herinneren
waarom je ooit begon.
Waarom je geraakt werd.
Waarom je wilde volgen.
De veertig dagen worden dan een weg.
Met Jezus leren wij opnieuw leven,
lopen wij achter Hem aan,
juichen wij op Palmzondag,
gaan wij door lijden en dood
naar het licht van Pasen.
Daar ontdekken wij
dat niet de dood het laatste woord heeft,
maar het leven —
Gods leven.
Wij keren terug naar het water,
naar de herdoop,
laten ons zalven,
staan opnieuw op
als mensen van Christus.
Dan wordt vasten feest.
Herbronning.
Groei van binnenuit.
En blijft ons gebed,
zacht maar vol verlangen:
Delf mijn gezicht op,
maak mij mooi.